was ze er in weg, heelemaal. Maar had ze we! gelezen ? Was ze niet door een wonderlijke reactie harer' zenuwen op den ontvangen schok in slaap geraakt, in een soort verdooving ? Zoo raar deed ze, zoo afwezig, zoo droomerig.
»Of droom ik zelf ?« mompelde hij met een vaag gevoel van vreemde beklemming. »Is wat ik hier doe en zie geen werkelijkheid ? ... Zal ik dadelijk wakker worden in mijn bed... ? God !«
Hij deinsde achteruit.
Maar dat moest gezichtsbedrog zijn 1
Hij wreef zijn oogen, keek weer.
Een rilling ging door zijn lijf.
Daar... daar, aan den wand... de voorvader met het doodshoofd, die zag hem aan met glazige oogen, maar de lippen waren vaneen gespleten en van tus-schen zijn tanden scheen hij hem zijn verachting toe te sissen.
»Ik droom.... ik moet droomen..,.,« beefde Bruno hardop, »dat bestaat niet----dat----«
ïn vertwijfeling wendde hij zich om, maar dan ontsnapte hem een schrille kreet van afgrijzen. . De grootmoeder met de waaier stak haar tong tegen hem uit 1
Half kruipend en struikelend, met halfdichte oogen tastend, zocht hij de deur, stiet zijn schildersezel om, meende een geluid te hooren van een der wanden, alsof een der voorvaders op punt stond uit zijn lijst