53
gen leerde kennen, was, wat insekten betreft, de yverigstc,
onvermoeidste natuuronderzoeker, die er wezen kon. De
gchcele overige natuur was dood voor hem, en het eenige.
waardoor hy zich in het gezelschap van menschen onder-
scheidde , was de onverdragclijkste, bespottelijkstc gierigheid,
benevens de stellige verbeelding, dat hy eens door middel
van een tarwebrood zou vergeven worden. Zoodanig brood
ging hy eiken morgen zelf in den winkel halen, nam het,
wanneer hy uit eten ging, met zich, en was er niet toe te
brengen van eenig ander brood te proeven. Als een bewijs
zijner vrekhcid zij het genoeg de omstandigheid te vermel-
den, dat hy, die in weerwil zijner hoogc jaren nog een
wakker man was, nooit over straat ging dan voet voor voet
en met wijd uitgestrekte armen, opdat het oude uniform
niet scheuren, maar voortdurend in goeden staat zoü blijven.
Dan ter zake. De oude man had geen bloedverwanten, dan
een jongeren broeder, die te Amsterdam woonde. In dertig
jaren hadden elkander de broederen niet ontmoet, toen de
Amsterdammer, gedreven door de zucht om zijn broeder nog
eenmaal terug te zien, zich op weg naar Koningsbergen
begaf. Hy komt er aan, zoekt het huis zijns broeders op
en treedt diens kamer binnen. De Overste zit aan een tafel
en beschouwt met nedergebogen hoofd, door een vergroot-
glas, een kleinen, zwarten stip op een wit blad papier. Zijn
broeder heft een luiden vreugdekreet aan, en wil hem om-
helzen; maar de oude man, zonder de oogen van den stip
af te wenden, weert hem met dc hand van zich af, en lept
hem, met een herhaald st! st! st! het stilzwijgen op. //Broe-
der!" rot pt do Amsterdammer: »wáár denkt gy aan? Ik hen