gestoken en zijn linker beschermend gelegd op de aardbol, die op een tafeltje naast hem stond; een ander, meer tot contemplatie geneigd, wees vermanend op een doodshoofd en een zandlooper, terwijl een derde, die zeker de alchimist der familie was geweest, 'met een welgevormde hand vol ringen een collectie retorten en distilleerkolven demonstreerde, die gevuld waren met roode en groene vloeistoffen.
Op al die schilderijen was het familiedevies van het geslacht Maranus aangebracht; het stond in fraaie trekletters op de afhangende papierrol der grootmoeder, in zware, massieve karakters op den metalen globerand, het was te lezen op den zandlooper, het' stond waarschuwend op een schild onder de distilleerkolven :
»Nemo ludit Maranum*
hetgeen vrijelijk vertaald zoowat wil zeggen: »Nie-mand kan Maranus voor den gek houden.«
Doch ook zonder die uitdrukkelijke mededeelingl zou toch wel niemand, die de gelaatstrekken dier voorvaderen goed bekeken had, het ooit in zijn hoofd, hebben gehaald eens te onderzoeken of een lid van dat geslacht ook op de een of andere wijze in de maling te nemen was.
Een schuchter mensen ' sloeg onwillekeurig zijn oogen neer als zijn blik toevallig in het gelaat van een dier voorzaten terecht kwam, en dat iemand het