2(5
bezien vanuit het standpunt, dat door mij is aangegeven. Ik heb altijd den indruk, dat verreweg de meeste meuschen tegenover kleinere en grootere ondeugden zich altijd geroepen voelen tot verbieden en dit als de hoogste wijsheid inzake opvoeding beschouwen. Ik geloof dat verbieden en vooral de daarop, na overtreding, volgende verontwaardigde herhaling van het verbod, — nu ja, een enkele keer noodig en onvermijdelijk —, maar in den regel toch een zeer onvoldoend, naïef en veelal zelfs niet ongevaarlijk middel van verweer is tegenover de ondeugden onzer jongens. Hoe ernstiger het feit is, waarmede men in aanraking komt — in een jongensleven wel te verstaan — hoe meer onvoldoende het „verbod" is. Een hevige reactie van den kant van den leider in geval van overtreding is begrijpelijk en zeer menschelijk, maar tenslotte toch dikwijls een uiting van onvermogen. Dit is gedeeltelijk ook voor andere opvoeders waar, maar in de padvinderij is dit dubbel waar. Daar zijn a priori uitingen, hevige uitbarstingen zelfs van allerlei ondeugden te verwachten. Daar moeten wij, leiders, niet te veel van schrikken, en we moeten niet te veel doen, alsof die uiting een onverwacht vreeselijke en verrassende gebeurtenis is, waarvan wij de handen in elkaar slaan en die we met een evenredige hoeveelheid verontwaardiging moeten begroeten. De padvinderij is een samenleving van
jongens; en jongens.....dat zijn strijdende wezens,
individuen waarin goed en kwaad plotseling hevige botsingen teweeg roepen en waarin ook, in andere gevallen, een minder oplaaiende maar meer voortdurende strijd woi'dt gevoerd. Bij een volwassen mensch is dat tot op zekere hoogte natuurlijk óók