staten, voorzover al gevormd, eenzame grootheden geweest, wantrouwend
staande tegenover elkaar, meer bedacht op verweer dan op handreikingen.
Wel komen sporadisch in de Oudheid en ook in latere eeuwen uitleveringen
voor, maar dan meestal als uitvloeisel van de macht van de sterkste en niet als
rechtsinstituut tussen gelijkwaardige partners; uitleveringen ad hoe en wel van
die delinquenten, die de vorst hadden durven aanranden, dus van de politieke
misdadigers. Aan extraditie van gewone malfaiteurs werd tot aan de 19e eeuw,
een enkele uitzondering daargelaten, geen aandacht gegeven. De nog gebrekkige
verkeersmiddelen bemoeilijkten sterk hun vlucht naar het buitenland. En zo
het dieven en moordenaars al gelukte de landsgrenzen te overschrijden,
werden zij de moeite en de kosten van het achterhalen niet waard geacht.
Men was van hen bevrijd door de zelf verkozen verbanning, die bovendien
in vele gevallen hen zwaarder deed lijden dan menige straf. Niet voor niets
betekent immers ellendig het zijn in een ander land!
Met de Franse Revolutie en in de daarop volgende decennia komt de radi-
cale ommekeer. Politieke delinquenten zijn niet meer de misdadigers par
excellence; zij worden dan de slachtoffers van verouderde régimes, edele vrij-
heidshelden, die in hun land hadden gevochten voor idealen, die in het land
van refuge reeds waren verwerkelijkt; te sympatiek daardoor om ze bloot te
stellen aan strafrechtelijk ingrijpen van het gindse ancien régime, kortom
mensen, die asyl en geen straf verdienen.
Het zijn de gewone misdadigers, die dan in het blikpunt komen. Hier wat
eerder, daar wat later wordt in de 19e eeuw het besef levend, dat men niet kan
volstaan met het laconiek zich van het lijf schuiven van andermans misdadigers,
dus met de uitzetting, nog minder met het hen accepteren als arbeidskrachten,
gelijk lange jaren Amerika deed, maar dat men ze behoort over te dragen aan
het land, jegens hetwelk ze misdeden en dat recht heeft op hun vervolging en
bestraffing. Ook in Nederland groeit dit begrip voor onderlinge solidariteit,
waarvan vlotte asylverlening de negatie is en tevens een hinderpaal voor een
goede repressieve justitie. Ja zelfs voor een goede preventieve, aangezien het
besef van het over de grenzen niet meer veilig te zijn, misdrijf weerhoudend
zal werken.
Na eerst het sluiten van uitleveringsovereenkomsten geheel aan de regering
te hebben overgelaten, werd hier in 1849 een uitleveringswet aangenomen,
later vervangen door die van 1875, ter beperking der administratieve almacht
en ter garandering van enige rechten aan de verdachte. België was daarmee
in 1833 reeds voorgegaan.
Aan de groeiende drang om tegenover de ubiquiteit van de misdaad de
ubiquiteit van de bestrijding te stellen, is ook op andere wijze te voldoen.
Utopisten bepleiten een universeel strafrecht en een universele rechts-
pleging door hoven, competent voor de ganse beschaafde wereld. Dit echter is
een droom en niet eens een schone. Immers ook landen, die op ongeveer
hetzelfde peil van beschaving staan, kunnen sterk verschillen t.a.v. de belangen,
die zij met het zware strafrechtelijke geschut menen te moeten verdedigen.
Een zeevarend volk als het Nederlandse heeft andere strafrechtelijke behoeften
dan een bergvolk als het Zwitserse. Geographische en sociale verschillen, maar
evengoed die in morele opvattingen zullen unificatie in de weg blijven staan,
tenzij men zich zou beperken tot de grootste gemene deler of tot de algemene
leerstukken, hetgeen echter geen volk zou bevredigen. Zo laat ook Amerika
zijn deelstaten hun eigen strafrechtscode, slechts enkele delicten zijn federatief
geregeld. De „grisaille de la vie moderne" vertoont zich op dit gebied niet en
gelukkig niet; zij zou het zo boeiende beeld van de grote verscheidenheid der
39