5
lingen, die ook bij andere volkeren in naam van hun goden wer-
den gedaan. Dat behoorde zoo bij hun roeping.
Maar het blijkt dat (leze wijzen niet alleen wisten van de voor-
spellingen onder de Joden, maar dut zij ook verlangend waren
naar de vervulling er van. Zij luidden het wel begrepen dat de
koning der Joden, als hij kwam, redding en verlossing zou aan-
brengen, en zij voelden daaraan ook behoefte. Daarom dachten
zij niet alleen aan Hein, maar gingen zij Hem ook terstond
opzoeken. Het was een lange en moeilijke reis. Maar dat kofi
hen niet verhinderen. Zij wilden Hem zien en aanbidden.
De koning Herodes (vs. 8). Daar komen zij te Jeruzalem aan.
Zij kunnen zich niet anders voorstellen of ieder zal hun dadelijk
den weg wijzen naar de vorstelijke woning. Moest niet geheel
het land en geheel de stad vervuld zijn van de groote gebeur-
tenis, die heeft plaats gehad. Wij weten dat zij werkelijk heeft
plaats gehad. Maar Jeruzalem wist er toen blijkbaar nog niets
van. En de koning wist er ook niets van. En toen de koning
hoorde waarnaar de wijzen gevraagd hadden, werd hij verschrikt,
en Jeruzalem met hem.
Herodes was een vreemdeling. Zijn vader heette Antipater, een
Idumeër, of Edomiet, afstammeling van Edom of Ezau, den
broeder van Jacob. Zijn moeder was een Ismaëlitische, van Ismaël
den zoon van Abraham en Hagar. Door de hulp der Romeinen
was hij koning geworden over Palestina en Jeruzalem.
De voornaamsten der stad waren echter geheel op de hand der
Makkabeërs, en daarom vond hij maar het best om allen, die
van dit geslacht waren, en voor hem gevaarlijk konden worden,
uit den weg te ruimen. Vijfenveertig van hen werden tegelijk
gedood. Hij was met Marianne eene afstammelinge der Makka-
beërs getrouwd, om zoo althans met een schijn van recht aan-
spraken op den troon te doen gelden; maar hij werd ook tegen
haar achterdochtig, en liet haar toen ombrengen. Haar broeder
Aristobulus, dien hij tot hoogepriester had aangesteld, werd, op
zijn bevel, verdronken in het bad. Er gingen verscheidene jaren
mee heen voor dat hij er gerust op kon zijn dat van deze zijde
geen gevaar voor zijn koningschap meer te duchten was, maar
toen heeft hij zich gewijd aan hetgeen in zijne oogen het land
en vooral Jeruzalem groot kon maken. Daartoe behoorde het
weer opbouwen van oude steden, en het verfraaien van den
tempel. Deze Herodes heette Herodes de Groote.
Op het laatst van zijn regeering, die ruim dertig jaren geduurd
heeft, had het bezoek van de wijzen plaats. Hun vraag verschrikte
hem. Er was dus, naar het scheen, nog een geboren koning der
Joden, nog iemand, die door zijn geboorte aanspraak kon maken
op den troon, waar hij op gezeten was. Dat had hij niet gedacht,