105
donder! — Nieuwe vuurstralen verspreiden zich;
de hemel schijnt aan alle kanten te ontvlammen ,
gelijk het aangestoken kruit. Het donderend ge-
luid verpoost niet meer; het gaat met eiken blik-
semstraal opeenvolgend gepaard. Hoe loeit van
verre de wind! — reeds buigt hij de toppen der
hoornen; reeds kromt hij de stammen, reeds rukt
hij die uit den grond! Grod ! welk een verschijnsel!
— Zult Gij de aarde verdelgen ? — De bliksems
verblinden het gezicht, de donders benemen het
gehoor, de wind laat nauwelijks iets staande
blijven. — Daar stroomt het water met gedruisch
uit de wolken, het stort met groote druppelen op
de aarde neder, het vloeit, het stroomt langs alle
zijden heen.
Verbazende werking der natuur! waarom zoo
vol schrik en ontzetting ? — Vermetele, ondank-
bare ! adem nu de gezuiverde lucht in; zie nu
rondom u — en geheel de schepping zal uwe
vraag beantwoorden. De zingende vogelen, het
huppelende vee, de dartelende visch, de gedrenkte
velden, de verkwikte planten , de gezuiverde
lucht, de geheele natuur, ja, uw eigen vroolijk
hart zal u zeggen, dat de God der liefde en der
wijsheid door dit groote en verbazende werk een'
onwaardeerbaren zegen aan de aarde en hare
bewoners schenkt.