106
15.
DE LENTE.
Denken wij eerst aan de liefelijke Lente, de
herlevende natunr, die raet de nachtevening op
den 21"'° Maart gerekend wordt een' aanvang te
nemen. Dan toch is de zon wederom tot boven den
evenaar genaderd , en neemt nu langzamerhand
eene zuidelijke afwijking. Welk eene hervorming,
welk eene herschepping ontdekt bet oog weldra in
de geheele bewerktuigde natuur, — op de aarde, in
de lucht en het water ! De harde grond ontdooit,
de versteende wateren smelten, zacht ruischende
windjes spelen door de nog bladerlooze boomen en
drogen den grond; de liefelijke voorjaarsbloem-
pjes verkondigen raet al de dagelijks vorderende
groote omzettingen het einde des winters, de
komst van den zomer. Welk een' indruk zou dit
verschijnsel op ons niet te weeg brengen , zoo
wij het slechts eens in ons leven, of, tot manne-
lijke jaren reeds gevorderd, voor de eerste reis
aanschouwden! — De vale velden weder te zien
groen worden, dood schijnende boomen, heesters en
planten te zien herleven , een' harden grond tot
vruchtbare aarde te zien terugkeeren, alom leven
en beweging te ontdekken, waar eenige weken te