481
b. Namen van vrouwelijke personen: -es, -in, -ster
vormen zulke namen van die van mannelijke personen, als:
dichteres, dienares, hoorderes, meesteres, voogdes, zangeres (nevens
zangster voor zangerster); boerin, godin en godes, koningin, waar-
din; — leugenaarster, toovenaarster (naast leugenares en toove-
nares), herbergierster.
OpiNTERKiNO. De woorden op -in beteekenen de vrouw van den in 't grond-
woord gekenmerkten persoon, of het wijfje van het in 't grondwoord genoemde
dier; de woorden op -es en -ster zijn de namen van vrouwehjke personen, die
de waardigheid, den stand, de betrekking bekleeden of het beroep uitoefenen , in
't grondwoord uitgedrukt. Nochtans vindt men het kenmerkend verscliil dezer
uitgangen niet overal toegepast. Zoo hebben b. v. barones en waardin beide be-
teekenissen; herderin beteekent ook niet: vrouw van een' herder; evenwel godin
= vrouw van een' god, godes = vrouwelijke god. Men spreekt van zangster
of zangeres naar gelang men eene vrouw bedoelt, die öf de dichtkunst öf de
zangkunst verstaat en beoefent. Evenwel ook liedjeszangster of straatzangster.
De uitgang -ster vormt ze ook van werkwoorden; b. v.: be-
stuurster, bewaarster, geefster, tooneelspeelster, weldoenster, werk-
ster. Deze woorden beteekenen, dat de in 't grondwoord ge-
noemde handeling door eene vrouw wordt uitgeoefend.
De uitgang ege komt in Noord-Nederland alleen nog voor in
dievegge (eigenlijk dievege = dievige vrouw). Dit ege ging over
in ei bij de woorden klappei en labbei, d. i. klappige, labbige =
praatziek wijf.
-in vormt ook namen van vrouwelijke dieren, als:
berin, leeuwin , wolvin.
c. Namen van werktuigen of middelen:
-er of -aar en -el, met de nevenvormen -eel en -sel, vor-
men zulke namen van werkwoorden, als: klopper, snuiter, veger,
evenaar, tuimelaar, hevel van heven (heffen), klepel, stekel, d. i.
werktuigen, dienende ter verrichting van de werking.
In sommige woorden op -el heeft de klinker van den stam
verandering ondergaan, als: beugel (van buigen), sleutel (van
sluiten), teugel (van tiegen ~ trekken), vleugel (van vliegen).
In houweel (voor houwel, van houwen) en tooneel (van toonen)
is -el tot -eel verscherpt. In andere woorden is s vóór den uit-
gang -el ingevoegd, als: behangsel, deksel, schoeisel, stijfsel, ver-