19
en 't is dan ook geen wonder, dat onze buren en buurtjes
reeds lang verlangd hebben naar dit feest.
De kinderen hadden al een tijd geleden aan meester ge-
vraagd, of die hun wilde helpen aan een mooi versje. Mees-
ter heeft dat met pleizier gedaan en nu hebben zij dat versje
keurig netjes op een velletje papier geschreven. Niet op
een gewoon velletje papier, maar op een mooi vel met een
kransje er om heen.
Naatje, het oudste meisje, had voor grootvader een paar
mooie pantoffels gewerkt. Voor geld uit haar spaarpot
waren er zolen onder gelegd, zoodat het geheel en al een
presentje van Naatje was.
Jan, de oudste jongen, had iets voor grootmoeder willen
meenemen, maar wat? Hij kon toch geen pantoffels bor-
duren of kousen breien? En een presentje geven, dat hij
in een winkel gekocht had, dat deed hij nu liever niet.
Hij wou zoo graag eigen werk geven. Eindelijk had vader
er iets op gevonden. Jan ging wat koperdraad koopen en
eiken dag, als de school uit was, ging hij boven aan het
werk. Gelukkig had hij vroeger van ijzerdraad al meer
kooitjes gemaakt. Als hij 't nu voor 't eerst geprobeerd
had, zou er niet veel van terecht gekomen zijn.
Twee dagen voor het feest was de kooi af. ,/l)e kooi"
zei .lan en 't was werkelijk een kooi ook. Een kooitje
mocht men er niet tegen zeggen. ,/\Vat moet daar nu in,
.lan" vroeg moeder. „Grootmoeder zelf toch niet?" zei
vader lachende. „Wel neen, zei .Jan, ga straks een
papegaai koopen, als gij het goed vindt. Gisteren ben ik
al wezen vragen, wat die vogel kosten moet. ïk heb net
genoeg in mgn spaarpot." Vader en moeder vonden het
best en de vogel kwam in de kooi. Toen allen in het rij-
tuig zaten, kwam de kooi bij Jan te staan.