22
12. Eeu zonderling drietal.
Daar gingen zij weer langs den weg; een man, zijn doch-
tertje en een aap. De man droeg op den rug een draaiorgel,
waarop de aap mocht meerijden, en achter hem liep een
meisje, met een blikken bakje in de hand. Rijk in de kleeren
zagen zij er niet uit. De man had een jas aan, die vroeger
aan een heer behoord had; zijn broek was zeker door een
timmerman gedragen en zijn schoenen schenen beter geschikt
binnenshuis dan op den weg gebruikt te worden. Het meisje
droeg een oud, dun jurkje, waarover een omslagdoekje va.st-
geknoopt was. Pantoffels met versleten zooltjes en ope-
ningen aan de zijden, dienden voor schoeisel. Op het hoofd
had zij een stroohoedje zonder lint. De vader droeg een
winterpet tot hoofddeksel. De aap was nog het mooist ge-
kleed van allen. Zoodra zij bij een bewoond gedeelte van
den weg kwamen, sprong de aap van het orgel; de man
hing het dan voor het lijf en begon te draaien en te zingen,
terwijl het meisje eerst het aapje liet dansen en dan bij de
omstanders en aan de huizen met haar bakje rondging.
Soms zong het meisje in plaats van den man, en dan bracht
het bakje altijd meer centen mede.
Ongelukkige menschen! Een man, die geen ambacht kende,
en zyn krachten alleen gebruikte om het orgel te dragen
en er aan te draaien! Een meisje, dat volstrekt geen on-
derwijs ontving, en een opvoeding genoot, waarvan men nooit
iets goeds kon verwachten. Wat zou er van haar worden,
als zy haar vader eens moest missen. Daar dacht zij zelf
ook wel eens over, en zij had er al eens tegen vader over
gesproken. Maar die scheen er niets van te willen hooren,
en toen zyn dochtertje er weer eens over sprak, zei hy:
,,Och, zeur daar niet over. Gij kunt er toch niets aan ver-