leelijk,
15
wsrZï/ slecht,
big. ondeugend,
large. nuttig,
great. een vriend,
tall. eene vriendin,
bad.
groot, ] nuttig, useful, (spr.joe.)
a friend.
De bijvoeglijke naamwoorden {Ad'jectives) blijven in 't Engelsch
onverbogen.
Zij ondergaan dus geenerlei verandering door het geslacht, het
getal of den naamval van de zelfstandige naamwoorden, waarbij
zij gevoegd zijn.
Zg komen in 't Engelsch vóór de zelfstandige naamwoorden
en niet als in 't Fransch nu eens vóór en dan weder achter het
naamwoord.
Men gebruikt altijd het lidwoord an vóór een bijv. naamwoord,
dat met een' klinker begint.
Wordt die klinker echter als een medeklinker uitgesproken,
dan wordt het a.
Zoo zegt men b.v.: a usefut book, omdat useful met een' klin-
ker begint, die als een medeklinker wordt uitgesproken; men
zegt: joesful, de u als joe.
regelmatig, bevallig en lief. Wij bewonderen wat handsome is, en beminnen
wat ons pretty toeschijnt. Fine is ons fraaie naar 't uitwendige, van daar finery ,
opschik. Men heeft echter tal van wijzigingen in de beteekenis. A fine dog is
b.v. een groote, kloeke hond; a handsome dog ^ Q&n hond, die er goed uitziet,
een mooi dier.
2) Big zegt men van alle afmetingen: a big box. Great meestal figuurlijk: a
great man, (groot van geest, hoedanigheden). Large van de uitgebreidheid,
a large garden. Tall van de hoogte.
Een ding is little, als 't niet groot is; een ding is smallj als het klein
of te klein is in vergelijking met wat het behoorde te zijn of voor 't gebruik^
waarvoor men 'tbestemt. A little boy is een kleine jongen, nog jong en dus
niet groot. A small boy is klein voor zijn leeftijd. A little house is een klein
huis, een huisje, a small house is een huis te klein voor het doel waarvoor
't bestemd is. Little heeft dikwijls de bijbeteekenis van lief., small nooit.